Mag je de Franse schrijver Céline nog lezen als je weet dat hij antisemiet was?
Wat doe je als je weet dat een kunstenaar moreel verwerpelijke acties heeft gedaan of zulke gedachten heeft gehad? En hoe ga je daar als kunstdocent mee om? Hierover reflecteert kunsthistoricus Peter Guido de Boer. “Ik lees Céline niet ondanks zijn morele failliet. Ik lees hem met dat failliet in mijn achterhoofd.”
Het juiste standpunt
Toen ik ontdekte wat voor antisemitische pamfletten Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) schreef, wilde ik zijn roman dichtslaan. Morele helderheid voelt prettig. Gewoon zeggen: fout mens, dus weg met het werk. Opgelost.
Alleen werkte het zo niet. Céline is een van de intrigerendste auteurs van de twintigste eeuw en zijn debuutroman Reis naar het einde van de nacht had me al geraakt. De cadans. De rauwheid. Die zinnen zaten al onder mijn huid. Wat moest ik dan? Doen alsof die ervaring niet heeft plaatsgevonden? Alsof esthetische ontregeling teruggedraaid kan worden met een morele gum?
Als sparringpartner van creatieven zie ik hetzelfde verlangen naar duidelijkheid. De vraag komt altijd in een nette vorm: “Maar wat is nou het juiste standpunt?” Alsof kunst een compliance protocol heeft. We willen kunst zuiver hebben. Schone makers. Onbesmette biografieën. Maar ik denk dat dat verlangen gevaarlijk is. Bovendien werkt de geschiedenis niet mee.
Macht in marmer
Neem de Italiaanse beeldhouwer Benvenuto Cellini (1500 – 1571). In zijn autobiografie beschrijft hij zonder gêne hoe hij een man doodde tijdens een conflict. Geen gerucht. Geen kwaadwillende roddel. Zijn eigen fiere woorden. Toch staat zijn Perseus nog altijd trots in Florence. We bewonderen de anatomie, de spanning, het vakmanschap. Niemand plaatst er een bordje bij: “Technisch briljant, moreel problematisch”.
Of neem het Palazzo della Civiltà Italiana in Rome. Dat stralend witte gebouw met ritmische bogen, ook wel het “Vierkante Colosseum” genoemd. Het werd tussen 1938 en 1943 gebouwd in opdracht van Benito Mussolini, leider van fascistisch Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Palazzo is een monument voor een wereldtentoonstelling die nooit plaatsvond. Een architectonisch statement dat het moderne Italië rechtstreeks wilde verbinden met het keizerlijke Rome. Strak. Symmetrisch. Monumentaal. Propaganda in travertijn.
Toch huist modehuis Fendi er. Creatieve directies lopen er door marmeren gangen. Tentoonstellingen vinden er plaats. Het gebouw figureert zelfs in de serie Emily in Paris, als stijlvolle achtergrond van hedendaagse glamour. De context verschuift. Het regime verdwijnt. De stenen blijven. Wat doe je met zo’n gebouw? Sloop je het? Negeer je het? Of erken je dat schoonheid en ideologie historisch vaak verstrengeld zijn? Blijkbaar is esthetische kracht zelden steriel ontstaan. Dat wringt.
Historisch flexibel moreel kompas
Ik merk dat ik zelf ook selectief verontwaardigd kan zijn. Gaat het om een hedendaagse maker die zich misdraagt? Dan voel ik een sterke neiging tot onmiddellijke cancelling. Maar gaat het om een renaissancekunstenaar met bloed aan zijn handen? Dan denk ik: ach ja, andere tijden. Een fascistisch gebouw dat inmiddels Instagram-waardig is? Blijkbaar kan dat ook.
Toen Rusland Oekraïne binnenviel en Hermitage Amsterdam de banden met Sint-Petersburg verbrak, voelde dat logisch. Solidair. Principieel. Maar tegelijkertijd dacht ik: wat kan een doek van Rembrandt precies doen aan de daden van Vladimir Poetin? Kan verf geopolitieke schuld dragen?
We schuiven constant met grenzen. Wat gisteren acceptabel was, is vandaag verwerpelijk. Wat vandaag ondenkbaar is, wordt morgen misschien gerelativeerd. Dat is geen zwakte van cultuur. Dat is cultuur!
Schrappen of schuren?
In mijn sparren probeer ik dat ongemak niet glad te strijken. Wanneer een deelnemer zegt: “Maar dan moeten we het werk toch gewoon niet meer tonen?”, vraag ik terug: “En wat lossen we daarmee op?” Wordt de wereld moreel helderder? Of alleen overzichtelijker?
Het is verleidelijk om te denken dat het schrappen van een naam uit een curriculum ook het probleem uitwist. Maar kunst is geen besmet oppervlak dat je kunt ontsmetten. Ze is een archief van menselijke tegenstrijdigheid. Dat betekent niet dat alles maar moet kunnen. Het betekent wel dat we onderscheid moeten maken tussen vieren en bestuderen. Tussen kritiekloos bewonderen en kritisch lezen.
Céline lezen mét context is iets anders dan Céline verheerlijken. Hetzelfde geldt voor Cellini bewonderen zonder zijn geweld te romantiseren. En voor het Palazzo bekijken zonder zijn oorsprong te vergeten. Juist in dat grijze gebied gebeurt iets. Dáár moeten we nadenken en onszelf bevragen. Waarom raakt dit werk mij? Wat negeer ik? Wat weeg ik zwaarder: esthetische kracht of de morele misstap? En wie ben ik om daar een definitieve grens te trekken voor verleden én toekomst?
Ik lees Céline niet ondanks zijn morele failliet. Ik lees hem met dat failliet in mijn achterhoofd. Dat schuurt. En precies dat schuren maakt me alerter.
De volwassen positie
Misschien is dat de volwassen positie: niet doen alsof kunst autonoom is, maar ook niet doen alsof ze volledig samenvalt met het morele dossier van haar maker. Kunstgeschiedenis is geen galerij van heiligen. Het is een dossierkast vol genieën, opportunisten, machtswellustelingen en visionairs – vaak in één en dezelfde persoon.
Laten we ophouden te vragen of dat mag en beginnen te vragen wat het met ons doet dat we blijven kijken, blijven lezen, blijven luisteren. Dat antwoord is minder comfortabel maar wel eerlijker. Voor kunstdocenten ligt hier de opdracht: niet het leveren van morele antwoorden, maar het begeleiden van morele vragen.