De curator als bewaker van het toeval
Over AI, serendipiteit en de toekomst van betekenis
Voordat we over kunstmatige intelligentie spreken, kijken we eerst naar een vaas.
Of eigenlijk: iets wat op een vaas lijkt.
Voor ODDNY ontmoeten we Jip Hinten, curator en mede-directeur van 38CC in Delft, midden in SET THE STAGE, de tentoonstelling van Marta Volkova en Slava Shevelenko. Op de muren hangen pagina's uit wat aanvoelt als een visueel dagboek. Tussen de tekeningen staan objecten die zich moeilijk laten classificeren. Ze zijn niet helemaal sculptuur, niet helemaal gebruiksvoorwerp. Ze lijken eerder het resultaat van een voortdurende uitwisseling tussen twee kunstenaars, twee biografieën en twee manieren van kijken.
Terwijl we door de ruimte lopen, praten we eerst niet over technologie maar over opleiding. Over de herkenbare Russisch-academische traditie die in het werk doorschemert. Over tekenen als discipline. Over hoe bepaalde vormen van kennis zich generaties lang voortbewegen zonder ooit volledig te worden opgeschreven. Niet als informatie, maar als houding. Als aandacht.
Misschien, realiseer ik me tijdens het gesprek, begint curatie precies daar.
Niet bij het selecteren van werk, maar bij het vermogen om ergens lang genoeg naar te kijken om te zien wat anderen nog niet zien.
Pas daarna komt AI ter sprake.
De afgelopen jaren zijn we gewend geraakt aan discussies over kunstenaars en kunstmatige intelligentie. Over auteurschap, originaliteit en de vraag of een machine ooit werkelijk kan creëren. Maar terwijl we verder praten, ontstaat een andere gedachte. Misschien ligt de grootste uitdaging voor AI helemaal niet bij kunstenaars. Misschien raakt ze juist de curator.
Want wat doet een curator eigenlijk?
Verbanden leggen. Archieven doorzoeken. Kunstenaars positioneren binnen historische, maatschappelijke en culturele contexten. Patronen herkennen. Nieuwe relaties zichtbaar maken.
Precies de dingen waar AI steeds beter in wordt.
Wanneer ik die observatie voorleg aan Jip, reageert zij niet direct op de technologie zelf. Haar eerste reflex gaat naar de bron.
"Veel kunst bestaat helemaal niet in databases," zegt zij. "Niet alles is gedigitaliseerd. Niet alles zit in archieven."
Zij noemt afstudeertentoonstellingen die verdwijnen zodra ze zijn afgelopen. Kunstenaars die uit beeld raken. Gesprekken die nooit worden opgenomen. Kleine presentaties die nauwelijks digitale sporen achterlaten. Terwijl AI steeds afhankelijker wordt van beschikbare data, bestaat een aanzienlijk deel van het culturele ecosysteem juist uit dingen die niet of nauwelijks online te vinden zijn.
Dat roept een prikkelende vraag op. Wat gebeurt er met wat niet zichtbaar is?
Natuurlijk is dat probleem ouder dan AI. Elk systeem van kennisproductie kent zijn blinde vlekken. Wat wordt verzameld, krijgt een grotere kans om herinnerd te worden. Wat niet wordt verzameld, raakt makkelijker uit zicht. Toch lijkt die dynamiek scherper te worden naarmate digitale infrastructuren dominanter worden. Niet omdat ze bewust uitsluiten, maar omdat zichtbaarheid steeds vaker een voorwaarde wordt voor bestaan.
Ons gesprek belandt vervolgens bij alternatieve kunstinitiatieven uit de jaren zestig en zeventig. Platforms die juist ontstonden buiten bestaande instituten en bestaande definities van kunst. Wat ooit begon als alternatief, zo constateren we, eindigt opvallend vaak als onderdeel van het systeem waartegen het zich afzette. Experiment wordt methode. Verzet wordt geschiedenis. De uitzondering wordt uiteindelijk een categorie.
Dat is geen cynische observatie. Eerder een terugkerend patroon.
Op dezelfde manier voelt de huidige discussie over AI soms als een nieuwe versie van een oud verhaal. Elke nieuwe technologie belooft democratisering. Meer toegang. Meer zichtbaarheid. Meer mogelijkheden om deel te nemen. En vaak maakt ze die belofte ook gedeeltelijk waar.
Maar tegelijkertijd verschuift de plek waar keuzes worden gemaakt.
Waar vroeger een curator bepaalde wat zichtbaar werd, nemen vandaag algoritmes, platformen en aanbevelingssystemen een deel van die rol over. De poort verdwijnt niet; ze verplaatst zich. "De selectie vindt nog steeds plaats, maar het is minder zichtbaar wie of wat die keuzes maakt," zegt Jip.
Misschien is dat wel een van de meest fundamentele veranderingen. Niet dat selectie verdwijnt, maar dat selectie steeds onzichtbaarder wordt.
Gaandeweg verschuift het gesprek van macht naar tijd.
Technologische systemen zijn vrijwel altijd gericht op versnelling. Meer informatie verwerken. Meer verbanden leggen. Meer output genereren. Maar wanneer Jip spreekt over collecties, musea en kunstgeschiedenis, keert steeds hetzelfde idee terug: sommige dingen worden pas interessant nadat er tijd overheen is gegaan.
Een werk kan jarenlang onopgemerkt blijven voordat het betekenis krijgt. Een kunstenaar kan pas achteraf belangrijk blijken. Een tentoonstelling die aanvankelijk weinig aandacht kreeg, kan later een kantelpunt blijken te zijn.
In die zin lijkt traagheid niet het tegenovergestelde van kennis, maar een voorwaarde ervoor.
Dat brengt ons bijna vanzelf bij serendipiteit. Het vermogen om iets waardevols tegen te komen zonder ernaar op zoek te zijn. Iedereen die ooit een archief heeft bezocht kent dat moment: je zoekt het ene document en vindt iets totaal anders. Juist die onverwachte ontmoeting zet een nieuwe gedachte in gang.
Veel culturele vernieuwing ontstaat op die manier.
Niet uit efficiëntie, maar uit omwegen.
Niet uit optimalisatie, maar uit verdwalen.
En daar begint misschien de interessantste spanning tussen kunstmatige intelligentie en curatie. AI is uitzonderlijk goed in het herkennen van wat waarschijnlijk relevant is. Cultuur blijkt daarentegen vaak afhankelijk van het onwaarschijnlijke.
Van een vergissing.
Van een afwijking.
Van iets dat nog niet als belangrijk herkenbaar is.
Tegen het einde van ons gesprek komen we uit bij Constant Nieuwenhuys en zijn idee van de Homo Ludens. De spelende mens. De overtuiging dat technologie ons uiteindelijk meer ruimte zou geven voor experiment, verbeelding en spel.
Het is een verrassend actuele gedachte.
Misschien staan we opnieuw op een moment waarop technologie een groot deel van het organiserende werk kan overnemen. Maar juist daardoor wordt zichtbaar welke menselijke kwaliteiten niet zo eenvoudig te automatiseren zijn.
Nieuwsgierigheid.
Twijfel.
Geduld.
Het vermogen om ergens rond te blijven hangen zonder direct te weten waarom.
Wanneer we afscheid nemen, hebben we geen antwoord gevonden op de vraag wat AI met curatie zal doen.
Wel ontstaat langzaam een ander vermoeden.
Misschien ligt de toekomst van curatie niet in het concurreren met machines op snelheid, geheugen of analyse.
Misschien ligt haar waarde juist in het beschermen van datgene wat zich niet volledig laat optimaliseren.
Toeval.
Vertraging.
Fysieke aanwezigheid.
Het recht om te verdwalen.
De bereidheid om iets nog niet te begrijpen.
Misschien wordt de curator daardoor minder een poortwachter van kunst en meer een bewaker van omstandigheden waarin betekenis kan ontstaan.
En misschien is dat altijd al zo geweest.
Jip Hinten is kunstcurator en cultureel ondernemer. Het Financieele Dagblad selecteerde haar voor de lijst van FD Talenten, een jaarlijkse selectie van vijftig veelbelovende professionals onder de 35 jaar. Als co-directeur en curator van 38CC in Delft werkt zij aan vernieuwende tentoonstellingen en de ontwikkeling van jong talent binnen de hedendaagse kunst.